Wat is de betekenis van het recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst?
Eenieder heeft het recht om te geloven wat hij/zij wil. Iedereen heeft ook het recht om zelf een godsdienst of levensovertuiging te kiezen en ernaar te leven. Dit wil dus zeggen dat eenieder het recht heeft om van godsdienst of overtuiging te veranderen. Ook atheïsme (1) valt hier onder.
Iedereen mag zijn/haar godsdienst/overtuiging beleven. Dit mag zowel in het openbaar als in de privé-sfeer. Men heeft het recht om gebedshuizen in te richten. Men mag zijn/haar godsdienst belijden door erediensten bij te wonen of door rituelen die tot de godsdienst behoren uit te voeren. Joden die koosjer willen eten, mogen geen varkensvlees eten. Ze hebben dan ook het recht om geen varkensvlees te eten. De overheid kan wel grenzen of voorwaarden stellen aan de vrijheid om die rituelen uit te oefenen. In België bijvoorbeeld moet een kerkelijk huwelijk altijd voorafgegaan worden door een burgerlijk huwelijk (tenzij men op zijn/haar sterfbed ligt). Ook rituele slachtingen mogen niet zomaar overal gebeuren.
Godsdienst onderwijzen en anderen proberen te bekeren is toegelaten. De overheid kan bekeringsdrang (2) wel bestraffen. Men spreekt van bekeringsdrang wanneer iemand anderen probeert te bekeren zonder voldoende respect te tonen voor de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst van de anderen.
De vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst is geen absoluut recht. Ze kan dus beperkt worden door de overheid. De beperkingen moeten wel in de wet staan, noodzakelijk zijn in een democratische samenleving en een legitiem doel (zoals de bescherming van de openbare orde, de goede zeden of de gezondheid) hebben.
(1) Atheïsme is het niet geloven in één of meerdere goden.
(2) Dit wordt ook wel abusief proselitisme genoemd.