Wat is de betekenis van het recht op tewerkstelling?
Het recht op arbeid zou eenieder in staat moeten stellen om een menswaardig leven te leiden. Iedereen heeft het recht om te kunnen werken. Eenieder heeft recht op redelijke werkomstandigheden. Dit houdt in dat eenieder het recht heeft om in een veilige en hygiënische omgeving te werken. Het recht op werk moet eerst gerealiseerd worden vooraleer andere rechten gerealiseerd kunnen worden. Bijvoorbeeld het recht op huisvesting, onderwijs, kleding wordt in de praktijk moeilijk realiseerbaar voor mensen die geen job hebben.
Het recht op tewerkstelling bevat een aantal waarborgen. Eerst en vooral de waarborg om niet gediscrimineerd te worden. Mannen en vrouwen hebben recht op gelijk loon voor hetzelfde werk. Elke werknemer heeft recht op gelijke kansen voor bevordering. Verder mag het werk geen onhoudbare last betekenen. Rustpauzes, vrije tijd, redelijke duur van de werktijd en periodieke vakanties met behoud van loon zijn dan ook verplicht. Eenieder heeft ook recht op bescherming tegen werkloosheid.
Iedereen heeft het recht om bij een vakvereniging aan te sluiten, die de rechten van de werknemers ten opzichte van hun werkgevers verdedigt.
Dit recht is één van de economische, sociale en culturele rechten. Economische, sociale en culturele rechten zijn gericht op de geleidelijke verwezenlijking ervan. Staten moeten het recht steeds vollediger proberen te realiseren. Dit wil zeggen dat ze in functie van de beschikbare middelen zoveel mogelijk moeten doen om het recht te realiseren of stappen in die richting te zetten. Ze zijn niet verplicht om het direct te realiseren, gezien dit voor de meeste landen financieel niet haalbaar is. Er zijn wel een aantal verplichtingen. Zo is er het ‘standstill’-beginsel: het verbod om maatregelen te nemen die een aanzienlijke achteruitgang zouden betekenen. Landen zijn daarnaast ook verplicht om het recht te eerbiedigen: ze mogen bepaalde handelingen, die het recht zouden kunnen schenden, niet stellen. Dit recht heeft geen rechtstreekse werking in zijn geheel. Enkel de aspecten die de overheid direct moet realiseren hebben rechtstreekse werking. Wanneer een recht geen rechtstreekse werking heeft, kan het niet door nationale rechters worden toegepast.