Het recht om eigendom te bezitten: voorbeelden

Getuigenissen Chinese herders

“Er is niemand in ons dorp die niet op de weide wil leven en het vee wil hoeden. Maar de weide en het vee behoren tot de staat en aan de gewone herders werd verantwoordelijkheid gegeven om enkel voor het vee te zorgen, maar niet om erover te beslissen. De gemeente dwong de herders om hun kudde te verminderen… geen enkel huishouden kon zich tegen de Chinese overheid en zijn beleid verzetten.” F.W., overgeplaatste herder van Sangchu (Xiahe), provincie Gansu, Juli 2006.
De Chinese wet vereist dat zij die van hun eigendom moeten of wiens bezit in beslag wordt genomen, geraadpleegd moet worden en dat hun verlies gecompenseerd moet worden. Artikelen 41 en 111 van de grondwet van China garandeert het recht op overleg, alsook de wet van 1989 van de Administratieve Procedure. Deze wet en de wet Algemene Principes van 1986 van het Burgerlijk recht van PRC bepalen ook compensatie voor het illegaal in bezit nemen. De Wet van het Beleid van het Land van 1998/1999 beschrijft het proces waardoor het bezit kan worden gevorderd en de processen waardoor de compensatie zou moeten worden betaald, en de bedragen, maar de aanwijzingen zijn dat dit zelden gebeurt. (…)
“Op een dag kwam ik provincie ambtenaren tegen en ik klaagde dat de belastingen te hoog zijn, maar ze reageerden agressief en antwoordden, “Weet je dan niet van wie dit land is in de eerste plaats?” S.O., een Tibetaan van de provincie Jomda, TAR, geïnterviewed door Human Rights Watch, mei 2006.
Tibetaanse herders worden van het land verdreven om in de stad te gaan wonen. Daarvoor worden ze gedwongen en voor hun eigendom wordt veel te weinig betaald.
Bron: Human Rights Watch